Oranjelaan

Een goedemorgen, roept de vriendin van het zusje van meneer Weinberg nogal hard de logeerkamer in. Maar daar blijft het niet bij. Dat zou ik wel willen. Ik moet ook nog opstaan. En snel. Heel snel. Wat is er nu weer? Staat Berlijn opnieuw in de brand? Of bivakkeert er als verrassing een echte Rus in de keuken?

Allemaal onzin. Klinkklare onzin zelfs. Het is tijd om te winken. Pardon, het is zelfs de hoogste tijd om te winken. Over drie minuten is het zover. Stipt om kwart over acht gaat het gebeuren. Ook al vergaat heel de wereld. Gewinkt moet er worden.

Pas maar eens op, fluistert de vriendin, en met een meer dan routineus gebaar doet zij de ramen open. Je ziet zo dat ze dat meer heeft gedaan. Misschien wel iedere ochtend. En dan pakt ze een klein laken of wie weet een afgedankt tafelkleed. Daarmee gaat ze nogal enthousiast naar de overkant van een muur, vast en zeker de muur, winken.

Even tussen haakjes: zo vanuit de verte is die Berlijnse muur heel eigenlijk een bouwwerk van niks. Eigenlijk is het een regelrecht wrak. Meneer Weinberg zou zo'n muur stukken beter hebben gebouwd.

Zo vanuit de verte is die Berlijnse muur heel eigenlijk een bouwwerk van niksZeg, en ik moet niet zo stom naar haar gewink staan te kijken, kijkt de vriendin van de zuster van meneer Weinberg. Dat geeft namelijk helemaal geen pas. Als ik een kerel ben, kijkt de vriendin nog vrij streng, dan wink ik mee. Als een man boordevol solidariteit. Dat zullen de vrienden in het oosten wel zo aardig vinden.

Ach, heb ik niets om mee te winken, informeert de vriendin dan nogal gemeen. Wat zou ik denken van mijn handen en armen? Nou, wat zou ik daarvan denken.

En let dan op. Ja, let maar eens goed op. We hebben contact. Aan de overkant van de muur wordt er terug gewinkt met een laken of een tafelkleed. Wat willen we nog meer?

De vriendin kan intussen wel dansen en springen van vreugde, maar dat laat ze. De vriendin heeft namelijk nog wel iets meer te doen. Zelfs in Berlijn bestaan er geen engeltjes of zo die de boodschappen geordend voor je op tafel en in de kast zetten. O ja, en dan moet ik ook nog zo nodig die Russen zien.

De vriendin heeft haar regenjas al aan omdat je het nooit kan weten. O ja, en wat ze beslist niet moet vergeten? Ik heb geen idee. En opnieuw begint ze te zeuren over de engeltjes die het vertikken om boodschappen te doen. Nog een geluk dat we op de plek zijn waar we de Russen kunnen zien: checkpoint Charlie. De grensovergang tussen Oost-en West-Berlijn. Iedere dag stopt daar een bus vol Russische soldaten. De wacht van een of ander Russisch monument. Het is net of ze op schoolreisje zijn.

De vriendin steekt een vuist op tegen de bus en roept heel hard 'boe.' Ik roep een beetje 'boe' mee.
Dat zal ze leren.

Boudewijn Paans.